|
¬ Geef je eigen mening over deze titel
|
|
22 juni 1953: een broeierig hete dag, geen school, want de onderwijzers houden die dag een conferentie over de nieuwe spelling die op til staat. In Olen, meer precies Overdevaart op de wijk Klein Korea, worden militaire manoeuvres gehouden die onze soldaten moeten voorbereiden op hun strijd tegen de communisten. Voor de twaalfjarige Valentijn, de vertellende ik-figuur, die in de Cité woont en daarom juist wat neerbuigend neerkijkt op de 'boerenkloten' van Overdevaart, kondigt de dag zich aan als een avontuur zonder weerga. Gewapend met zijn 'kodak' gaat hij met een aantal kameraadjes het verloop van de manoeuvres volgen, maar belangrijker nog is dat hij daar ook Martha zal ontmoeten, het meisje op wie hij hopeloos verliefd is. Walter van den Broeck vertelt het verhaal van die ene dag in een wervelend relaas van elkaar snel opvolgende anekdotes. Wat op het eerste gezicht een amusant verhaal lijkt over kwajongens in het Vlaanderen van begin de jaren 50, krijgt gaandeweg de allures van een tragische confrontatie met de wereld van de volwassenen. De ietwat wijsneuzige Valentijn komt tot het besef dat hij tussen de mensen van Overdevaart eigenlijk niets betekent. Als hij op een wel heel brutale manier geconfronteerd wordt met de (seksuele) wreedheden van de volwassenen en, nadat hij haar bedrog heeft ontdekt, ook nog de dood van Martha moet meemaken, blijft alleen nog dit verlangen over: "De wereld moest nu maar eens even ophouden met zich door mij te laten ontdekken", want: "achter het zichtbare alles steekt een verdoken alles dat niemand ziet maar dat wreed is en zonder medelijden de wereld bestuurt."
Bron: www.bib.vlaanderen.be
|
|
|
|